Antonin Dvorak

 

Antonín Dvořák: Bomeher in hart en nieren

Antonín Dvořák (Nelahozeves 1841-Praag 1904) was een Romantisch 19e-eeuws Boheems componist die een belangrijke bijdrage leverde aan de nationale muziek van Tsjechië.
Zijn oeuvre bestrijkt bijna alle muzikale genres uit zijn tijd: van opera, grootschalige geestelijke werken, symfonieën, symfonische gedichten en concerten tot vele vormen van kamermuziek, liederen en koorwerken. Dvořák ontwikkelde een geheel eigen stijl waarin de klassieke modellen nauw verweven zijn met elementen uit de Slavische volksmuziek. Opvallend zijn de expressieve melodieën en krachtige ritmiek. Ondanks de complexe compositietechniek klinkt Dvořáks muziek warm en spontaan.
De in Bohemen geboren Dvořák bracht zijn absoluut niet spectaculair verlopen jeugd in een burgerlijke sfeer door; hij studeerde en deed praktische ervaring op; als orkestmusicus werkte hij in 1863 mee aan een door Wagner gedirigeerd concert met operafragmenten. Dat had later grote betekenis voor hem als operacomponist. In 1864 werd hij altist in het orkest van het Praagse nationaal theater waar Smetana, die andere pleitbezorger van de nationale muziek, in 1866 als dirigent werkzaam was.
Met de revolutiegolf die Europa in de jaren 1840 overspoelde, werd het nationalisme een dominerende factor in de Europese kunst. Haast nergens was dat proces belangrijker dan in Tsjecho-Slowakije en Dvořák behoorde daar tot de prominentste nationalisten. Van de drie grote Tsjechische componisten – Bedrich Smetana, en Leos Janácek zijn de anderen – was hij degene met de oorspronkelijkste en blijvendste invloed op de muziek van zijn land, nauwkeuriger gezegd van Bohemen; bovendien verzoende hij de tradities uit de folklore heel gedegen met die van de symfonische- en kamermuziektradities. Slechts weinig andere componisten slaagden erin zulke aanstekelijke melodieën te schrijven en deze zo kleurig en genuanceerd te orkestreren.

In 1873 verliet Dvořák het orkest van het Praagse nationaal theater om zich geheel aan het componeren te kunnen wijden. Binnen een jaar won hij een Oostenrijkse prijs met zijn derde symfonie. Hij oogstte ook meteen lof van Brahms die deel uitmaakte van de jury. Twee jaar later won hij met zijn Moravische duetten nog eens die prijs en opnieuw was Brahms enthousiast over de vooruitgang die de jonge componist had geboekt. Hij gaf hem een aanbeveling mee voor een muziekuitgever.

Na de verschijning van specifieke Tsjechische werken als de Slavische dansen in 1878 groeide het aanzien van de componist; Dvořák ondernam concertreizen in Europa en werd geroemd om zijn composities en zijn orkestdirectie. Zijn succes bereikte een hoogtepunt in 1891 toen hij werd uitgenodigd om het directeurschap van het New Yorks National conservatory of music op zich te nemen.
Na een vijf maanden durende afscheidstournee door Bohemen en Moravië vertrok Dvořák tenslotte in 1892 naar de V.S. waar hij drie jaar bleef. Hij voelde zich daar niet bijster gelukkig, maar hij was er wel heel productief omdat zijn ontdekking van de Amerikaanse volksmuziek in combinatie met zijn heimwee naar Bohemen een reeks meesterwerken, waaronder de Nieuwe wereldsymfonie en het Negerkwartet voortbracht.
In 1895 hervatte hij zijn lessen aan het Praags conservatorium waar hij in 1901, op zijn zestigste, directeur werd. Wat uitgebreid werd gevierd door extra veel werk van hem uit te voeren. In zijn laatste levensjaren kon hij genieten van een welverdiend respect.

 

Kan het nog Tsjechischer?

Het jaar 1884 was een onrustig jaar voor de Tsjechen. Er waren veel uitingen van nationalisme, dat zich richtte zowel tegen de Oostenrijkse overheersing als tegen de daarmee gepaard gaande onderdrukking van de Tsjechische taal en cultuur.
Vooral in het culturele leven speelde dat nationalisme een grote rol. De sociale situatie was zeer gespannen. Er waren veel demonstraties en overal waren er patriottische vrijheidsuitingen. De Oostenrijkers hadden een hele serie maatregelen getroffen om de situatie in de hand te houden. Een van die maatregelen was dat zelfs het zingen van Tsjechische liederen verboden was.
De Engelse uitgever Littleton had Dvořák gevraagd voor het Leeds festival een oratorium te schrijven. Dvořák componeerde voor die opdracht zijn oratorium ‘Svatá Ludmila’ voor solisten, koor en orkest, tussen september 1885 tot mei 1886 op een tekst van de Tsjechische schrijver en vertaler Jaroslav Vrchlický. In dit oratorium met een op het eerste oog religieus onderwerp (de heilige Ludmila) zou je een religieuze behandeling van het thema verwachten. Maar soms bedriegt ‘het eerste oog’ ons. Hoewel Dvořák veel religieuze werken heeft geschreven, gebruikte hij voor deze opdracht typisch Tsjechische en Slavische thema’s. Zo kreeg het werk een nationaal in plaats van religieus karakter. Het oratorium was een reactie op de onlusten uit 1884. Het is zonneklaar dat Dvořák de nationale beweging wilde ondersteunen wat hij duidelijk te kennen gaf in een van zijn brieven aan Simrock zijn Duitse uitgever: “…… dat een kunstenaar ook een vaderland heeft waarvoor hij een standvastig geloof en een vurig hart moet hebben.”

Niet alleen uit de themakeuze en de koor-scènes, maar vooral ook door het gebruik van de koraalmelodie: “Hospodine, pomiluj ny” (Machtige Heer, ontferm U over ons) heeft Dvořák heel subtiel het nationale karakter van het stuk duidelijk gemaakt. Het gebruik van deze koraal is in mijn opvatting een fenomenale vondst van Dvořák geweest om vooral het Tsjechische karakter van dit oratorium uit te drukken. Dvořák componeerde deze koraal op basis van de eerste Tsjechische troop “Hospodine, pomiluj ny”, die dateert uit ongeveer de elfde eeuw. In de vroeg middeleeuwse kerkmuziek werden door componisten weliswaar mooie, maar soms zeer ingewikkelde melodieën met heel moeilijk te zingen intervallen gecomponeerd op religieuze teksten. Het probleem van deze liederen was echter dat de gewone monniken en priesters vaak het latijn niet begrepen en ook muzikaal ongeschoold waren. Door het gebrek aan muzikale scholing konden de monniken de lastige muzikale intervallen niet zingen. Daarom ontstonden eenvoudig te zingen ‘deuntjes’ op de bestaande religieuze tekst. Die eenvoudige ‘deuntjes’ bleken vaak oeroude volksliedjes te zijn. (Sterker nog, heel vaak zijn die melodietjes voor (ruige) soldatenliederen gebruikt). Zo’n deuntje met een religieuze tekst is een troop. Zo’n troop was dus een op een oud volkslied gebaseerde religieuze melodie. Ook de Latijnse tekst werd soms in de loop van de jaren vervangen door een tekst in de nationale taal. De troop “Hospodine, pomiluj ny” is dus niet alleen het eerste Tsjechisch geschreven religieuze lied, maar de melodie bij die tekst is hoogstwaarschijnlijk gebaseerd op een heel oud Tsjechisch volksliedje. ‘Kan het nog Tsjechischer?’ moet Dvořák gedacht hebben bij het gebruiken van deze troop in zijn oratorium, in een tijd dat nu juist het zingen van Tsjechische liederen door de Oostenrijkers verboden was.
Het gebruik van die troop voor zijn koraal kwam waarschijnlijk niet zo maar uit de lucht vallen. Hij heeft daar over nagedacht zoals hij veel later, in 1893, verklaarde in een pleidooi voor volksmuziek ergens in Amerika: “Alle grote musici componeren vanuit de liederen van het eenvoudige volk. Zelf heb ik me beziggehouden met de nagenoeg vergeten melodieën van de Tsjechische boeren en ik vond daarin de richting voor de meest serieuze werken. Slechts op deze wijze kan de kunstenaar zijn ware gevoel en het karakter van het volk tot uitdrukking brengen.”
Ook verder in het oratorium zijn heel duidelijk aanwijzingen te vinden voor Dvořák’s steun voor de nationale zaak. Zo zijn de verzen van het libretto gebaseerd op historische feiten uit de Tsjechische geschiedenis. Prins Rastislav van Groot-Moravië vroeg de broers Cyrillus en Methodius van Thessalonica het christendom te verspreiden in zijn land. In 863 brachten zij het glagolitische alfabet. Gedurende deze tijd kwam Groot Moravië onder de invloed van het Byzantijnse Rijk. Later verspreidde deze culturele en politieke invloed zich ook voor Bohemen en in 874 werden Borivoj I, hertog van Bohemen en zijn vrouw Saint Ludmila gedoopt.
Het verhaal van het libretto speelt zich af aan het begin van dit tijdperk. De kluizenaar Ivan aanvaardt de taak van het zendingswerk, met zijn welsprekendheid Ludmila te winnen voor het christendom. Ludmilla ontmoet en trouwt uiteindelijk Prins Borivoj, die is gedoopt. Het libretto bestaat uit drie delen. De situatie in het eerste deel is gespannen als Ivan in conflict komt met de heidenen. Ludmila komt tussenbeide. In het tweede deel laat Dvořák al zijn talent voor melodie zien en zijn vermogen om gevoelens van liefde in muziek te uiten. De finale is feestelijk en pompeus met een verklaring in de koraal “Hospodine, pomiluj ny”
Inderdaad, Tsjechischer dan deze koraal kan muziek haast niet zijn.
© Arend Steunenberg